In de ban van de tegenstander van Hans Keilson (reactie)
Posted by Prowisorio on Sunday, November 28, 2010 Under: boeken
Net als veel anderen werd ik in augustus van dit jaar verrast door een review in de Sunday Book Review van The New York Times: "For busy, harried or distractible readers who have the time and energy only to skim the opening paragraph of a review, I’ll say this as quickly and clearly as possible: “The Death of the Adversary” and “Comedy in a Minor Key” are masterpieces, and Hans Keilson is a genius." De rest van de review maakte me zeer nieuwsgierig naar de boeken van Keilson en ik bestelde daarom onmiddellijk In de ban van de tegenstander. Het boek heeft even geduld moeten hebben, maar zojuist heb ik het boek dichtgeslagen. Het liet mij enigszins vertwijfeld achter; steeds als ik dacht te weten wat Keilson's Ik me trachtte duidelijk te maken, raakte ik het spoor weer bijster. Hoezeer de Ik ook zijn best deed om op allerlei verschillende manieren duidelijk te maken wat er bij hem leefde, het is hem niet echt gelukt.
Ondanks dat directe verwijzingen zijn weggelaten en noch Hitler, noch Duitsland, noch joden worden genoemd, is duidelijk dat de Ik opgroeit in Duitsland tijdens de opkomst van Hitler en de Ik een joods jongetje is. Hij is tien jaar, als hij zijn vader vraagt wie die persoon toch is die maakt dat 'wij Gods genade nodig hebben'. Het antwoord van zijn vader luidt dat 'B. onze vijand is'. Natuurlijk vraagt de Ik waarom dat zo is; B. kent hem toch helemaal niet? Het onbevredigende antwoord van zijn vader is: "Wij zijn..." Het is enige tijd later dat zijn grote vriend, die op dat moment echter een volger van zijn vijand blijkt te zijn, hem het volgende vertelt: "Hij laat zich door jou meeslepen. Vergeet dat niet! Je moet zijn woorden onderzoeken, je moet zoeken waar hij door jou geraakt is. En dan zou je weleens kunnen ontdekken dat er misschien een zekere verwantschap tussen jullie bestaat." Zijn vriend neemt afscheid van hem met een parabel waarin verteld wordt dat 'elanden wolven nodig hebben om te overleven.'
Als de hoofdpersoon jaren later zijn tegenstander hoort spreken, concludeert hij dat zijn tegenstander in hem een evenbeeld schiep: "Alles wat hij in zichzelf verzweeg en waarmee hij niet in het reine kon komen, zag hij in mij. Betoverd, meegesleept en tegelijk een en al schrik en afkeer." Zo blijken de hoofdpersoon en zijn tegenstander in de ban te zijn van elkaar. De tegenstander had nog niet gehandeld, nog niet gekozen en dus kon alles nog in orde komen als de hoofdpersoon maar de gelegenheid zou krijgen om in een goed gesprek zijn tegenstander te laten zien dat hij niet was zoals de tegenstander vreesde dat hij was. Als ze elkaar eenmaal zouden leren kennen, dan zou de tegenstander zien dat zijn haat uit angst voor hem en anderen zoals hij niet nodig was. Het is deze hoop, maar ook het begrip dat hij toont voor zijn tegenstander, dat ervoor zorgt dat de hoofdpersoon geen medestanders kan vinden. Hij krijgt van een vriend, die de parabel indachtig de ietwat dubieuze naam Wolf heeft, zelfs het verwijt de filosofie van het slachtoffer aan te hangen.
Is dat het wat Keilson heeft willen laten zien? Dat teveel begrip voor je vijand kan leiden tot inertie, tot niet handelen toen het nog kon, waarmee al dat verschrikkelijke dat volgde zou zijn voorkomen? De Ik concludeert in ieder geval, als hij net een verhaal heeft aangehoord over de vernieling van een begraafplaats: "Maar al deden ze nog zo hun best wolven te lijken, beesten waren ze niet. Het ging niet alleen om wat ze deden en zeiden, maar ook om wat ze moesten verzwijgen."Weer toont hij dus begrip, hoewel ditmaal voor de volgers van zijn vijand. Hij begint zich echter wel steeds meer en vaker af te vragen of angst niet de werkelijke aanleiding is voor zijn niet-handelen.
Zoals uit het voorgaande blijkt, speelt de parabel van de elanden en de wolven een grote rol in het boek. Maar welke rol precies, is mij niet duidelijk geworden. Het is het laatste dat zijn grote vriend de hoofdpersoon vertelt en lijkt dan te betekenen dat iedere groep een vijand of tegenstander nodig heeft om te overleven. De hoofdpersoon concludeert echter dat de wolven die de begraafplaats vernielen, geen echte beesten zijn. Verging het de joodse elanden dan slecht, omdat de wolven geen echte wolven waren? Of omdat de wolven geen beesten waren? Maar wat betekent dan de verzuchting aan het eind van het boek: "Misschien ben ik zelf een eland geweest, destijds en in de jaren die erop volgden. Ach, had ik maar een wolf kunnen zijn!"? Als hij een wolf (of een beest?) had kunnen zijn, zouden de tegenstander en zijn volgers dan de elanden zijn geweest die hém als vijand nodig hadden om niet ziek te worden? Heeft Keilson getracht duidelijk te maken dat een gezonde samenleving altijd wolven nodig heeft of heeft hij laten zien waar het toe leidt als er niet (veel) meer mensen (als wolven) in protest komen tegen hun zelfverklaarde tegenstander? Wolven als remedie tegen wolven? Dat klinkt erg Hobbesiaans en dat komt eigenlijk niet overeen met de milde toon van het boek. Het is onmogelijk, gezien het tijdstip waarop Keilson het boek schreef dat hij daarmee aan The philosopher and the wolf refereerde, hoewel de wolf die daarin geportretteerd wordt wel eens de wolf zou kunnen zijn die de Ik graag had willen zijn. Ik ben er nog niet uit en kan dus niet anders dan concluderen dat In de ban van de tegenstander een intrigerend, maar in ieder geval bij mij tot verwarring leidend en daardoor moeilijk te doorgronden boek is. Wat buiten kijf staat, is dat het een hoogst opmerkelijk boek is voor iemand wiens ouders in Auschwitz zijn omgekomen, die zelf heeft moeten vluchten en weet heeft van alle verschrikkingen die hebben plaatsgevonden. Het gegeven dat Hans Keilson al aan dit boek is begonnen tijdens de oorlog geeft dit boek wel een heel bijzondere glans.
In : boeken
Tags: boek reactie "hans keilson" "in de ban van de tegenstander"